Belasting & regels

Familielening in box 3: welke waarde geef je aan?

Published
Familielening in box 3 met een rekenvoorbeeld waarin 300.000 euro hoofdsom een actuele waarde van 319.701 euro heeft

Wie geld uitleent aan een kind, ouder of andere bekende, vult in box 3 vaak het openstaande leenbedrag in. Dat is overzichtelijk, maar fiscaal niet altijd het wettelijke uitgangspunt. Een langlopende lening met vaste rente kan namelijk een actuele waarde hebben die hoger of lager is dan de hoofdsom.

Een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst van 22 mei 2026 verduidelijkt hoe je die waarde bepaalt. Tegelijk biedt het voorlopig een praktische uitweg: onder voorwaarden mag je de nominale waarde blijven gebruiken. Wat betekent dat voor je aangifte en wat moet je vastleggen?

Kort antwoord

Een familielening in box 3 hoort wettelijk te worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer op de peildatum van 1 januari. Bij een direct opeisbare lening ligt die waarde doorgaans rond het openstaande bedrag. Bij een langlopende lening met vaste rente kan de actuele waarde afwijken, bijvoorbeeld doordat de afgesproken rente inmiddels hoger of lager is dan de marktrente.

De Belastingdienst accepteert volgens het kennisgroepstandpunt tijdelijk ook de nominale waarde, mits je daarin een bestendige gedragslijn volgt. Je kunt dus niet ieder jaar opportunistisch wisselen tussen de nominale en actuele waarde om de laagste heffing te kiezen. Leg de gekozen methode en de onderbouwing daarom vast.

Wat is er in mei 2026 veranderd?

De hoofdregel zelf is niet nieuw. Artikel 5.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt al dat bezittingen en schulden in box 3 op de waarde in het economische verkeer worden gezet. Het nieuwe standpunt KG:202:2026:7 werkt dit uit voor direct opeisbare vorderingen, niet-direct opeisbare vastrentende vorderingen, schulden met een vaste looptijd zonder boetevrije vervroegde aflossing, solvabiliteit en niet-overdraagbaarheid. Het is dus geen nieuwe box 3-wet, maar uitleg van de bestaande waarderingsregel en de praktische handelwijze die de Belastingdienst voorlopig accepteert.

Waar valt een familielening in de belastingaangifte?

Eerst moet duidelijk zijn in welke box de lening bij beide partijen valt. De fiscale behandeling van de uitlener en de lener is niet automatisch gelijk.

Bij de uitlener

Voor de persoon die het geld heeft uitgeleend, is het openstaande bedrag meestal een vordering in box 3. De Belastingdienst rekent vorderingen tot de categorie "beleggingen en andere bezittingen". Voor 2026 geldt voor deze categorie een vastgesteld forfaitair rendementspercentage van 6,00%.

Vorderingen op je fiscale partner en minderjarige kinderen hoef je volgens de toelichting van de Belastingdienst bijvoorbeeld niet als overige vordering op te geven. Ook een zakelijke lening kan anders worden behandeld. Bepaal daarom eerst de juiste box en pas daarna de waarderingsregels toe.

Bij de lener

Voor de lener kan dezelfde familielening een schuld in box 3 zijn. Daarvoor geldt in 2026 voorlopig 2,70% forfaitair rendement; alleen het deel van de schulden boven de drempel van 3.800 euro per persoon telt mee. Is het een kwalificerende eigenwoningschuld, dan kan de schuld in box 1 vallen en de rente aftrekbaar zijn, terwijl de uitlener doorgaans een box 3-vordering houdt. Lees ook wanneer renteaftrek bij een familiehypotheek mogelijk is.

Nominale waarde en actuele waarde zijn niet hetzelfde

De nominale waarde is het bedrag dat volgens de overeenkomst nog moet worden terugbetaald.

De waarde in het economische verkeer is het bedrag dat een onafhankelijke derde op de peildatum voor de vordering of schuld zou rekenen na een goed voorbereide verkoop. Bij een gewone lening met vaste betalingen wordt die actuele of contante waarde vaak benaderd door de toekomstige rente- en aflossingsstromen contant te maken tegen de marktrente op dat moment.

Daardoor kan een renteverschil waarde creëren:

• Is de contractrente hoger dan de actuele marktrente? Dan zijn de toekomstige rentebetalingen aantrekkelijker en kan de vordering meer waard zijn dan de hoofdsom.

• Is de contractrente lager dan de actuele marktrente? Dan kan de vordering juist minder waard zijn dan de hoofdsom.

• Is de lening direct opeisbaar of zeer kortlopend? Dan ligt de actuele waarde meestal dicht bij de nominale waarde.

Een marktconforme rente bij het afsluiten garandeert dus niet dat de actuele waarde jaren later nog gelijk is aan de hoofdsom. Meer achtergrond vind je in Marktconforme rente bij een familielening.

Het officiële rekenvoorbeeld: 300.000 euro wordt 319.701 euro

Het kennisgroepstandpunt bevat een voorbeeld dat goed laat zien waarom de waardering relevant kan zijn.

Belastingplichtige A leent voor een tweede woning 300.000 euro van belastingplichtige B. Voor A is dit een schuld in box 3 en voor B een vordering in box 3. De lening is onder strikt zakelijke voorwaarden twintig jaar aflossingsvrij. De vaste rente van 4,5% wordt jaarlijks achteraf betaald. B kan de vordering niet eerder opeisen en A mag niet eerder boetevrij aflossen.

Aan het begin van het tweede jaar is de marktrente voor een vergelijkbare lening gedaald naar 4,0% en resteert een looptijd van negentien jaar. Door de hogere contractrente zijn de toekomstige betalingen meer waard. De contante waarde komt in het officiële voorbeeld uit op 319.701 euro.

Openstaande hoofdsom: 300.000 euro

Actuele waarde volgens het voorbeeld: 319.701 euro

Verschil: 19.701 euro

Dat verschil betekent niet dat de lener ineens 319.701 euro moet terugbetalen. Contractueel blijft de hoofdsom 300.000 euro. De 319.701 euro is uitsluitend de berekende fiscale waarde van de toekomstige kasstromen op de peildatum.

Als uitsluitend het renteverschil wordt gewaardeerd en beide partijen dezelfde voorwaarden hanteren, heeft de schuld in dit voorbeeld in beginsel dezelfde actuele waarde als de vordering. Dat is geen algemene eis van exacte gelijkheid: andere factoren kunnen aan beide zijden verschillend uitwerken.

Hoe groot kan het box 3-effect in 2026 zijn?

Voor beleggingen en andere bezittingen rekent de Belastingdienst in 2026 met 6,00% forfaitair rendement. Het box 3-tarief is 36%. De actuele waarde uit het voorbeeld levert daardoor 1.182,06 euro meer forfaitair rendement op dan de nominale waarde:

19.701 euro waarderingsverschil x 6,00% = 1.182,06 euro extra forfaitair rendement.

Bij een tarief van 36% is dat maximaal ongeveer 425,54 euro extra belasting. Dit is een geïsoleerde indicatie. Het werkelijke effect hangt onder meer af van het totale vermogen, het heffingsvrije vermogen van 59.357 euro per persoon, de partnerverdeling en de vermogensmix.

Bij de lener kan een hogere box 3-schuld juist een verlagend effect hebben, maar schulden hebben in 2026 een ander forfaitair percentage en er geldt een schuldendrempel. Valt de lening als eigenwoningschuld in box 1, dan speelt deze box 3-schuldwaardering bij de lener niet.

De tijdelijke praktische keuze voor nominale waarde

Een actuele waardeberekening vraagt naast de hoofdsom ook de resterende looptijd, aflossingsvorm, het betalingsschema, een passende marktrente en eventuele contractuele opties.

Daarom staat de Belastingdienst tijdelijk toe dat belastingplichtigen een geldvordering of -schuld tegen de nominale waarde aangeven, totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn uitgesloten; controleer bijzondere constructies daarom afzonderlijk.

Aan de praktische keuze zit een belangrijke voorwaarde: je moet een bestendige gedragslijn volgen. De gekozen nominale waarde geldt voor zowel het forfaitaire als het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling. Bij het werkelijke rendement gebruik je haar ook voor de waarde aan het begin en einde van het jaar en bij verkrijging of vervreemding van de lening. Dat betekent in de praktijk:

• wissel niet jaarlijks van methode alleen omdat dat fiscaal gunstiger is;

• leg vast vanaf welk jaar je de gekozen methode gebruikt;

• bewaar het contract, aflossingsschema en een eventuele berekening;

• laat uitlener en lener dezelfde contractgegevens en peildatum hanteren.

De goedkeuring is geen vrijbrief om een willekeurig bedrag op te geven. Wie voor nominale waarde kiest, gebruikt het daadwerkelijk openstaande contractuele bedrag op 1 januari. Wie actuele waarde gebruikt, moet de gehanteerde aannames kunnen onderbouwen.

Wanneer is een actuele waardeberekening vooral relevant?

Een actuele waarde wordt vooral relevant als meerdere van deze kenmerken samenkomen:

• een hoge hoofdsom;

• een lange resterende looptijd;

• een vaste rente voor de volledige looptijd;

• een duidelijk verschil tussen contractrente en actuele marktrente;

• een aflossingsvrije of pas laat aflossende lening;

• afwijkende contractvoorwaarden;

• twijfel over de kredietwaardigheid van de lener.

Bij een kortlopende, variabel rentende of direct opeisbare lening ligt de actuele waarde vaak dichter bij de hoofdsom. Kredietrisico kan de vordering drukken als onzeker is of alle betalingen worden ontvangen. De insolvabiliteit van de lener verlaagt de waarde van de schuld op zichzelf niet; voor een waardedaling om die reden is de kans op gedeeltelijke of volledige kwijtschelding bepalend.

Het standpunt geeft geen algemene waarderingsregel voor een lening die wel boetevrij vervroegd kan worden afgelost; het behandelde geval sluit die mogelijkheid juist uit. Niet-overdraagbaarheid drukt de waarde volgens het standpunt in beginsel niet automatisch, al kan de concrete situatie anders uitwerken. Laat een complexe of materiële waardering door een fiscalist of financieel deskundige beoordelen.

Forfaitair rendement en werkelijk rendement uit elkaar houden

De waardering op 1 januari en het rendement gedurende het jaar zijn twee verschillende stappen. Bij de forfaitaire berekening over 2026 gebruikt de Belastingdienst de waarde op 1 januari: voorlopig 1,28% voor banktegoeden, vastgesteld 6,00% voor overige bezittingen en voorlopig 2,70% voor schulden.

Vanaf de aangifte over 2025 kun je ook werkelijk rendement doorgeven. De Belastingdienst vergelijkt dit met het forfaitaire rendement en gebruikt de voordeligste uitkomst. De tegenbewijsregeling geldt voor je totale box 3-vermogen; je kunt haar niet alleen voor deze lening toepassen.

Gebruik je voor de lening de actuele waarde, dan kunnen ontvangen rente en waardeverandering meetellen. Kies je de praktische nominale-waarderegel, dan moet je ook hier de nominale waarde hanteren. Er geldt geen heffingsvrij vermogen en kosten zijn in beginsel niet aftrekbaar; verschuldigde rente op een box 3-schuld is wel een negatief regulier voordeel. Houd de peildatumwaarde en het jaarresultaat daarom als afzonderlijke berekeningen in je dossier.

Wat betekent de geplande nieuwe box 3-wet?

Het kabinet wil met de Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 1 januari 2028 zoveel mogelijk het daadwerkelijke rendement belasten. Op 30 juni 2026 stelde de Eerste Kamer de stemming echter uit in afwachting van aanvullingen.

De wet is op 5 augustus 2026 dus nog niet definitief. Ook de uitwerking en ingangsdatum kunnen nog wijzigen. Omdat de tijdelijke goedkeuring voor nominale waardering aan de inwerkingtreding van die wet is gekoppeld, is het belangrijk de stand van zaken ieder aangiftejaar opnieuw te controleren.

Praktische checklist voor je aangifte

Maak voor iedere familielening een klein dossier waarmee een buitenstaander de aangifte kan volgen.

1. Bepaal de fiscale box bij beide partijen. Noteer waarom de vordering of schuld in box 1, box 3 of elders valt.

2. Leg de stand per 1 januari vast. Bewaar de hoofdsom, aflossingen, rente en resterende looptijd.

3. Kies en motiveer een waarderingsmethode. Gebruik actuele waarde of de tijdelijk toegestane nominale waarde.

4. Werk consequent en stem af. Laat uitlener en lener dezelfde contractgegevens en peildatum hanteren.

5. Bewaar de onderbouwing. Sla contract, rentebewijs, aflossingsschema en berekening bij de aangifte op.

6. Herijk bij een belangrijke gebeurtenis. Denk aan renteherziening, kwijtschelding, betalingsproblemen of herfinanciering.

Een goed contract blijft de basis. Gebruik bijvoorbeeld het modelcontract voor een onderhandse lening en leg latere wijzigingen schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Welke waarde van een familielening geef ik op 1 januari 2026 aan?

Het wettelijke uitgangspunt is de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2026. Volgens het kennisgroepstandpunt mag je voorlopig ook de nominale waarde gebruiken als je dat consequent toepast voor zowel het forfaitaire als het werkelijke rendement en de lening geen uitgesloten Wft-effect is.

Moeten uitlener en lener exact dezelfde waarde gebruiken?

Niet altijd. Bij uitsluitend een renteverschil hebben de vordering en schuld in het kennisgroepvoorbeeld in beginsel dezelfde actuele waarde. Oninbaarheid kan de vordering echter verlagen, terwijl betalingsproblemen van de lener de schuld op zichzelf niet verlagen; daarvoor is de kans op kwijtschelding bepalend.

Mag ik volgend jaar van methode wisselen?

Het standpunt bepaalt niet wanneer je later van methode mag wisselen. Het zegt alleen dat je consistent voor nominale waarde moet kiezen en niet uitsluitend om fiscaal voordeel te behalen. Laat een voorgenomen wijziging daarom vooraf beoordelen.

Is een marktconforme rente voldoende om nominale waarde te gebruiken?

Nee. De actuele marktrente kan na het afsluiten veranderen, waardoor een oorspronkelijk marktconforme lening later toch boven of onder de hoofdsom wordt gewaardeerd.

Geldt dit ook voor een familiehypotheek?

Ja, bij de uitlener valt de vordering uit een familiehypotheek doorgaans in box 3. Bij de lener kan de schuld onder voorwaarden een eigenwoningschuld in box 1 zijn. Beoordeel de positie van beide partijen dus apart.

Heb ik een officiële taxatie nodig?

Niet per definitie. Een controleerbare berekening met contractuele kasstromen, resterende looptijd en passende marktrente kan voldoende zijn. Vraag bij grote bedragen, afwijkende voorwaarden of kredietrisico professioneel advies.

Conclusie

Een langlopende familielening met vaste rente kan in box 3 meer of minder waard zijn dan de hoofdsom. Het officiële voorbeeld waardeert een vordering van 300.000 euro door een relatief hoge contractrente op 319.701 euro.

Voorlopig mag je de nominale waarde blijven gebruiken als je dat consequent en controleerbaar doet. Kies dus bewust een methode, stem de gegevens tussen beide partijen af en bewaar de onderbouwing.

Wil je de afspraken rond rente, aflossing en wijzigingen centraal vastleggen? FLUX5 helpt families om een onderhandse lening overzichtelijk te documenteren. Voor een materiële fiscale waardering blijft persoonlijk advies van een fiscalist of belastingadviseur verstandig.

Bronnen

• Belastingdienst Kennisgroepen, KG:202:2026:7 Waardering vorderingen en schulden in box 3, gepubliceerd op 22 mei 2026.

• Belastingdienst, Hoe is het box 3-inkomen op mijn voorlopige aanslag 2026 berekend?, geraadpleegd op 5 augustus 2026.

• Belastingdienst, Wat is mijn werkelijk rendement?, geraadpleegd op 5 augustus 2026.

• Belastingdienst, Voor mijn eigen woning leen ik geld bij familie, een bv of een buitenlandse bank - mag ik rente aftrekken?, geraadpleegd op 5 augustus 2026.

• Eerste Kamer, Wet werkelijk rendement box 3 (36.748), stand geraadpleegd op 5 augustus 2026.

• Rijksoverheid, Plannen kabinet voor heffing op werkelijk rendement in box 3, geraadpleegd op 5 augustus 2026.

Dit artikel is algemene informatie en geen persoonlijk fiscaal of juridisch advies. Regels, percentages en de behandeling van jouw lening kunnen veranderen of afhangen van individuele omstandigheden. Controleer voor je aangifte altijd de actuele informatie van de Belastingdienst en raadpleeg bij twijfel een deskundige.